zoeken   Zoeken in alle informatiebronnen
[Home] [Links] [Sitemap] [Contact] [Print]
  Dit is het gemeenteloket van het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid

Toelichting experiment bevordering arbeidsinschakeling alleenstaande ouders

11 september 2008

Experiment

Artikel 83 van de WWB biedt een experimenteermogelijkheid. Hierbij kan worden afgeweken van een aantal artikelen van de WWB. Doel van een experiment moet zijn het onderzoeken van mogelijkheden om de WWB doeltreffender uit te voeren met betrekking tot de arbeidsinschakeling en de financiering. De gemeenten die deelnemen aan een experiment worden op hun verzoek door de minister van SZW aangewezen.

In het Coalitieakkoord is de afspraak opgenomen dat er een regeling komt die werken in deeltijd financieel aantrekkelijk maakt voor sollicitatieplichtige alleenstaande ouders.

Nadat op 31 augustus 2007 de voorbereidingen voor het experiment Vazalo waren gestaakt is in een brief aan de Tweede Kamer [1] het voornemen aangekondigd om een experiment te doen ter zake van deze afspraak uit het Coalitieakkoord. De beoogde startdatum van het experiment bevordering arbeidsparticipatie alleenstaande ouders is 1 januari 2009.


Doel van het experiment

Het doel van het experiment is het onderzoeken van de mogelijkheden om de WWB met betrekking tot de arbeidsinschakeling van alleenstaande ouders die de volledige zorg hebben voor kinderen in de leeftijd tot 12 jaar doeltreffender uit te voeren. Met het experiment wordt beoogd inzicht te krijgen in de mate waarin een aantal maatregelen, al dan niet in combinatie, de doeltreffendheid van de arbeidsinschakeling van alleenstaande ouders stimuleren, wat betreft de toetreding tot de arbeidsmarkt, de stabiliteit van de arbeidsinschakeling en de uitstroom uit de bijstand. Het gaat om de volgende maatregelen:

  1. een inkomstenvrijlating van maximaal € 120 per maand, afhankelijk van het per week gemiddeld aantal gewerkte uren,
  2. de inzet van scholing/opleiding in combinatie met werken,
  3. het verstrekken van een bonus voor het volgen van scholing aan de alleenstaande ouder
  4. het verstrekken van een uitstroompremie bij duurzame uitstroom (na zes maanden),
  5. de inzet van een gemeentelijke arbeidspool.

Hieronder volgt een korte toelichting op de verschillende maatregelen.


  • de inkomstenvrijlating

De inkomstenvrijlating houdt in dat per uur waarover de alleenstaande ouder loon heeft ontvangen een bedrag niet tot de middelen wordt gerekend, tot een maximum van € 120 per maand. Als de alleenstaande ouder in een maand bijv. (gemiddeld) over 20 uur per week loon heeft ontvangen, leidt dit tot een vrijlating van € 80 in die maand. In de tabel een aantal voorbeelden van combinaties van het aantal verloonde uren en bijbehorende vrijlatingen.


Gemiddeld aantal verloonde uren per week

Vrijlating per maand








12 uur

16 uur

20 uur

24 uur

28 uur

30 uur

€   48

€   64

€   80

€   96

€ 112

€ 120


Andere inkomstenvrijlatingen die de alleenstaande ouder tijdens het experiment ontvangt worden op deze vrijlating in mindering gebracht. Dit om cumulatie van vrijlatingen en/of premies voor dezelfde prestaties en/of inspanningen te voorkomen. Het gaat hierbij om:

  • de algemene inkomstenvrijlating (artikel 31, tweede lid, onderdeel o, WWB)
  • vrijlating van de aan arbeid en zorg gerelateerde heffingskortingen voor alleenstaande ouders met kinderen jonger dan vijf jaar (artikel 31, tweede lid, onderdeel c, WWB)
  • premies in het kader van de arbeidsinschakeling die op grond van de WWB worden verstrekt (tenzij zij geen relatie hebben met de verwerving van het inkomen in het kader van het experiment).

De inkomstenvrijlating is belast en werkt dus in principe door in de inkomensafhankelijke regelingen. De effecten hiervan zijn echter beperkt. De vrijlating werkt wel sterk door bij de kwijtschelding van gemeentelijke heffingen. Daarom wordt geregeld dat de vrijlating in het kader van het experiment niet als inkomen in aanmerking wordt genomen bij kwijtschelding.


  • scholing/opleiding in combinatie met werken

Het kan hierbij gaan om (vak)inhoudelijke scholing, maar ook om scholing gericht op persoonlijke effectiviteit en empowerment. Er is hierbij sprake van maatwerk, de gemeente beoordeelt of, en zo ja welke vorm van scholing in het individuele geval noodzakelijk is. Hierbij kan de gemeente laten meewegen dat scholing enerzijds een extra belasting kan betekenen voor de alleenstaande ouder, maar anderzijds een investering betekent waarmee de alleenstaande ouder beter wordt toegerust voor de arbeidsmarkt.


  • bonus voor scholing

De bonus voor scholing bedraagt € 50 voor elke maand waarin de alleenstaande ouder scholing heeft gevolgd naast het werk. De bonus wordt niet maandelijks uitbetaald, maar opgespaard en uitbetaald in de vorm van een eenmalige premie. Na een jaar kan deze maximaal € 600 bedragen. Deze bonus is, als eenmalige verstrekking, onbelast en er is dus geen sprake van doorwerking in de inkomensafhankelijke regelingen.

Om in aanmerking te komen voor de bonus moet het gaan om scholing die de gemeente aan de alleenstaande ouder heeft aangeboden in het kader van een voorziening gericht op de arbeidsinschakeling. Er worden geen minimumeisen gesteld aan de omvang van de scholing. Het gaat om maatwerk en het is aan de gemeente om samen met de alleenstaande ouder te bezien wat in de gegeven situatie nodig en haalbaar is.


  • uitstroompremie

De alleenstaande ouder die uitstroomt uit de bijstand omdat het inkomen hoger is dan de van toepassing zijnde bijstandsnorm en die gedurende zes maanden niet opnieuw een beroep doet op de bijstand, heeft na afloop van die periode recht op een eenmalige (onbelaste) premie van € 500. Het gaat hierbij om uitstroom op basis van het inkomen uit arbeid, eventueel aangevuld met andere inkomsten zoals alimentatie. Bij uitstroom om andere redenen, zoals verhuizing naar een andere gemeente of een huwelijk/samenwoning met een partner met inkomsten boven de geldende bijstandsnorm, bestaat geen recht op de premie.


  • gemeentelijke arbeidspool

Het is de bedoeling dat een deel van de aan het experiment deelnemende gemeenten een arbeidspool voor alleenstaande ouders inricht. In die gemeenten krijgen alleenstaande ouders die gedurende het experiment aan het werk gaan zo veel als mogelijk een dienstverband met de arbeidspool aangeboden. De alleenstaande ouder komt voor minimaal 12 uur per week in dienst bij de arbeidspool van de gemeente en wordt gedetacheerd.

Omdat het gaat om een dienstbetrekking in deeltijd blijft de alleenstaande ouder in de bijstand. Het loon wordt door de gemeente aangevuld tot het niveau van de geldende bijstandsnorm. De alleenstaande ouder ontvangt een vast loon gebaseerd op het aantal uren waarvoor het dienstverband is aangegaan, ook wanneer het ‘duiventileffect’ optreedt (bijvoorbeeld wanneer de alleenstaande ouder tijdelijk niet of minder uren kan werken in verband met ziekte van een kind).


De uiteindelijke doelstelling is uitstroom uit de bijstand. Daarom wordt het dienstverband in het experiment zo vormgegeven dat de alleenstaande ouder wordt gestimuleerd om meer uren te gaan werken. Het kan hierbij gaan om geleidelijke/ stapsgewijze urenuitbreiding (bijvoorbeeld per half jaar), maar ook om een (aanzienlijke) urenuitbreiding ineens. Maar uiteindelijk is het doel in een eventuele definitieve regeling om in maximaal drie jaar te kunnen uitstromen uit de bijstand. Een alleenstaande ouder start bijvoorbeeld met 12 uur per week, gaat na een half jaar 16 uur per week werken, na een jaar 20 uur, enz.


Deelname gemeenten aan het experiment

De Minister van SZW kan op hun verzoek gemeenten aanwijzen die deelnemen aan het experiment. Er kunnen maximaal dertig gemeenten deelnemen aan het experiment. Deelname van zowel grote als kleine gemeenten is gewenst, daarom is vastgelegd dat maximaal tien gemeenten met 150.000 of meer inwoners, maximaal tien gemeenten met 50.000 – 150.000 inwoners en maximaal tien gemeenten met 10.000 – 50.000 inwoners zullen deelnemen aan het experiment. Daarnaast moeten gemeenten aan een aantal, hierna te noemen voorwaarden voldoen.


Representativiteit

De aan het experiment deelnemende gemeenten moeten een representatieve afspiegeling vormen van alle Nederlandse gemeenten. Daarom mag het aantal alleenstaande ouders in de gemeente niet sterk afwijken van het gemiddelde aantal alleenstaande ouders in vergelijkbare gemeenten.


Aanleveren van gegevens

  • Gemeenten moeten voorafgaand aan het experiment inzicht kunnen geven in de resultaten van de re-integratie-inspanningen in de afgelopen twee jaar voor de doelgroep alleenstaande ouders. Dit om de effecten van het experiment te kunnen scheiden van effecten van andere re-integratie-inspanningen van de deelnemende gemeenten.
  • Gemeenten moeten, zowel voorafgaand aan het experiment als gedurende de looptijd ervan kwantitatieve gegevens kunnen aanleveren over de omvang van de doelgroep alleenstaande ouders en in een aantal kenmerken: hoogte, duur en aard van de inkomsten en de omvang van het dienstverband van de alleenstaande ouder.

Bij dit tweede punt gaat het om gegevens die in het algemeen niet (standaard) door gemeenten worden geregistreerd, dit kan dus een extra administratieve last betekenen voor aan het experiment deelnemende gemeenten. Ook kan het aantal te leveren gegevens nog worden uitgebreid, als het onderzoeksbureau (dat via een aanbesteding geselecteerd zal worden) dit noodzakelijk acht voor het uitvoeren van het onderzoek naar de effecten van het experiment.


Selectie

Als meer dan dertig gemeenten in aanmerking komen voor deelname aan het experiment, selecteert de Minister van SZW op basis van de betekenis die de deelname van een specifieke gemeente aan het experiment heeft. Hierbij wordt ook rekening gehouden met de bereidheid van de gemeente om in het kader van het experiment een arbeidspool in te richten en om het dienstverband met de alleenstaande ouder gedurende het experiment uit te breiden. Ten slotte wordt gelet op de motivatie voor deelname en de maatregelen (inclusief nazorg) die de gemeente al heeft genomen om de arbeidsinschakeling van alleenstaande ouders te stimuleren en inkomensschommelingen bij deze doelgroep op te vangen.


Financiering van het experiment

De aan het experiment deelnemende gemeenten ontvangen separaat, buiten het I-deel van de WWB om, middelen ter gedeeltelijke financiering van het experiment. Deze tegemoetkoming aan gemeenten wordt na afloop van het kalenderjaar aan de gemeenten uitbetaald, aan de hand van de door hen op grond van artikel 6 van het Tijdelijk besluit overlegde gegevens. Het gaat hierbij nadrukkelijk om een tegemoetkoming in de kosten, niet om volledige vergoeding ervan. De tegemoetkoming bestaat uit drie onderdelen:

  1. een tegemoetkoming voor gemeenten die een arbeidspool inrichten. Hiervoor is gedurende de looptijd van het experiment maximaal 1,5 miljoen euro beschikbaar (ervan uitgaande dat 15 gemeenten een arbeidspool inrichten).
  2. een tegemoetkoming voor de kosten van de inkomstenvrijlating, gebaseerd op het gemiddeld aantal alleenstaande ouders voor wie de gemeente de inkomstenvrijlating in het kader van het experiment toepast. Hiervoor is maximaal 3,5 miljoen euro beschikbaar. (Bij minder dan 15 arbeidspools wordt het overschot van de tegemoetkoming onder 1 hieraan toegevoegd).
  3. een tegemoetkoming voor de kosten van de bonus voor scholing, gebaseerd op het gemiddeld aantal alleenstaande ouders dat gedurende minimaal 3 maanden scholing/opleiding heeft gevolgd in combinatie met werken. Hiervoor is 1,5 miljoen euro beschikbaar.

De exacte hoogte van deze tegemoetkomingen is nog niet bekend. Deze zijn afhankelijk van het aantal bijstandsgerechtigde alleenstaande ouders in de aan het experiment deelnemende gemeenten. De exacte verdeelsleutels en formules zijn te vinden in de nota van toelichting bij het Tijdelijk besluit bevordering arbeidsinschakeling alleenstaande ouders WWB.


Duur van het experiment en het onderzoek

In het Tijdelijk besluit is geregeld dat het experiment plaatsvindt in de periode van 1 januari 2009 tot en met 31 december 2011. De officiële looptijd van het experiment is dus drie jaar.

De feitelijke looptijd van het experiment is twee jaar, van 1 januari 2009 tot en met 31 december 2010. In die periode passen de deelnemende gemeenten alle instrumenten in het kader van het instrument toe.

In de periode van 1 januari 2011 tot en met 30 juni 2011 komt de eventuele scholingsbonus over het kalenderjaar 2010 tot uitbetaling. Daarnaast kan in de periode nog recht ontstaan op de eenmalige premie van € 500 voor alleenstaande ouders die in de tweede helft van 2010 zijn uitgestroomd (als ze langer dan zes maanden aaneen uit de bijstand blijven).


Daarom loopt de meetperiode van het onderzoek bij het experiment van 1 januari 2009 tot en met 30 juni 2011. Uiterlijk 30 september 2011 wordt (conform artikel 83 WWB) een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van het experiment in de praktijk aan het parlement gezonden.






[1] Kamerstukken II 2006/07, 30 545, nr. 33

Overzicht dossiers
 
Actueel
Nieuwsarchief
 
Persberichten
Officiële publicaties
Verzamelbrieven/circulaires
Wetgevingskalender
 
Nieuwsbrief/Gemeente-info
Andere SZW-sites:
Homepage szw.nl
Agentschap SZW
Inspectie werk en inkomen
Naar de Thema`s
Innovatieprogramma WWB